De optimale deeltjesgrootteverdeling van het voer

18 september 2018

Er wordt vaak gesproken over de deeltjesgrootteverdeling van voer, maar wat moet die verdeling eigenlijk zijn? En hoe kunt u dit bepalen? In dit artikel gaan we in op de verschillen tussen analyses en de voor- en nadelen daarvan.

Vertering

Voer wordt fijn gemalen vanwege de verbeterde enzymatische verteerbaarheid van kleinere deeltjes. Dit is voornamelijk belangrijk voor de eiwit- en zetmeelfractie. Bij een fijngemalen eiwit- en zetmeelfractie is er een grotere oppervlakte bereikbaar voor enzymen, waardoor de verteerbaarheid omhoog gaat. Toch is het belangrijk om niet alles zo fijn mogelijk te malen, omdat structuur in het voer een positief effect heeft op de ontwikkeling van het darmstelsel en maaggezondheid. De technische resultaten bij fijngemalen voer zijn niet consistent, doordat dit afhankelijk is van de gezondheid. We zullen dus op zoek moeten gaan naar een optimum tussen fijn malen voor een goede vertering en wat grover malen voor een betere gezondheid.

Maagzweren

Fijngemalen voer resulteert in een waterige dunne brij in de maag. Deze brij zal zich verdelen over de maag, waardoor in de hele maag de pH gelijk is. Als het voer grover gemalen is, dan zal de maaginhoud ook meer structuur hebben. Hierdoor zal er een pH gradiënt ontstaan in de maag. De pH is onderin veel lager dan bij de fundus, waar de slokdarm de maag in komt. Rondom de slokdarm is de slijmlaag dun en dit is waar een varken gevoelig is voor maagzweren. Doordat de pH hier relatief hoog is de kans op maagzweren klein. Onderin de maag is de pH wel laag, waardoor de pepsine productie voldoende gestimuleerd wordt en er een barrière voor bacteriën ontstaat.

Verschillende meningen

Er is nog geen sluitend antwoord op de vraag wat de beste deeltjesgrootteverdeling is. In de literatuur wordt er vaak gesproken over een gemiddelde deeltjesgrootte, maar dit zegt niets over de spreiding. Het gemiddelde kan hetzelfde zijn voor een zeer fijngemalen voer met een grove fractie, als voor een voer met een uniforme deeltjesgrootte rond dat gemiddelde.

In verschillende landen wordt op diverse manieren naar de optimale deeltjesgrootte gekeken. Zo focust de Deense onderzoekster Canibe zich bijvoorbeeld op de preventie van maagzweren bij zeugen, waarbij ze heeft gekeken naar de effecten van structuur en vezels in het voer. Canibe concludeerde dat het soort vezel geen effect heeft, maar dat het gaat om de maalfijnheid hiervan.  

In Duitsland is veel geschreven over deeltjesgrootte door de onderzoeksgroep van Kamphues. Hij en zijn collega’s zijn van mening dat een grove fractie goed is voor de gezondheid van een varken, maar dat het reduceren van de fijne fractie minstens zo belangrijk is voor de preventie van maagzweren.

In Nederland ligt de focus op de grove fractie. De fijngemalen eiwit- en zetmeelfractie is positief voor een goede vertering. Om de maaggezondheid goed te houden is ons advies om een grovere fractie hieraan toe te voegen.

Zeefanalyse

Monitoring van de deeltjesgrootte verdeling van het voer kan door middel van een zeefanalyse. Hier wordt meestal een droge zeefanalyse voor gebruikt, waarbij het persmeel gezeefd wordt. Ook in de literatuur zijn de meeste normen hierop gebaseerd. Het persmeel wordt hierbij op de bovenste zeef van een stapel zeven geplaatst. Deze stapel wordt met een vooraf bepaalde amplitude en tijdsduur geschud, zodat de resultaten van verschillende monsters vergelijkbaar zijn. Vervolgens worden de fracties die op de verschillende zeven en de bodem liggen gewogen. De resultaten worden meestal weergegeven als percentage.

In Nederland worden meestal pellets gevoerd. Pelleteren verkleint de deeltjes in het voer. Hierdoor zal het varken niet precies krijgen wat u in de analyse hebt gemeten. Als u de deeltjesgrootteverdeling bij pellets wilt meten, dan dient u een natte zeefanalyse moeten gebruiken. Bij deze analyse worden de pellets geweekt in water. Vervolgens worden ze op de zeefopstelling gelegd en door de zeven gespoeld tot de fracties gelijk blijven. De verschillende fracties worden gedroogd in een stoof en exsiccator, voordat de fracties gewogen worden. De opgeloste - en dus weggespoelde fractie - wordt aan de bodem toegerekend. Door de restfractie aan de bodem toe te rekenen, gebaseerd op het missende gewicht ten opzichte van het totale monster, maakt u hier een overschatting van. De teruggewogen fracties zijn namelijk gedroogd in een exsiccator, waardoor het helemaal droog is. Het totale monster had een droge stof gehalte rond de 88%. De 12% vocht worden op deze manier dus gezien als de kleinste fractie. Een correctie hiervoor is lastig, doordat niet alle deeltjes evenveel vocht opnemen en er dus een verschil kan zijn tussen de fracties. Bij het terugrekenen van elke fractie tot 88 % droge stof maakt u eveneens een fout. Het voordeel van een natte zeefanalyse is dat het resultaat hiervan dichter bij de werkelijkheid voor een varken lijkt te liggen. Het gegeten voer wordt ook nat in de bek en maag en in sommige systemen wordt het voer zelfs al nat gevoerd. De deeltjes die oplossen tijdens de analyse, zullen dat dus ook doen wanneer het varken het voer opneemt.

Om meer inzicht te krijgen in de verschillen tussen een natte en droge zeefanalyse, het effect van oplossen en pelleteren zijn er diverse analyses gedaan. Zo is er van dezelfde voeders een droge zeefanalyse gedaan van persmeel, een natte zeefanalyse van persmeel en een natte zeefanalyse van pellets. Het effect van ongeveer 20% verkleining - dat verwacht kan worden door pelleteren - werd niet gevonden. Het ging om vrij fijn gemalen biggenvoeders, wat kan verklaren waarom het effect van pelleteren kleiner was dan verwacht. Daarnaast is dit effect in andere onderzoeken bekeken door een vergelijking tussen een droge analyse op persmeel en een natte analyse op pellets. Het oploseffect werd vaak onderschat. Wat bij de resultaten van onze vergelijking opvalt is dat het verkleinende effect van oplossen vrij groot is. De verschillen tussen de voersoorten zijn bij een natte analyse veel kleiner dan bij de droge analyse.

Welk effect merkt het dier van de verschillen in deeltjesgrootte? En wat zijn de verschillen tussen grondstoffen, maling en oplosbaarheid op dit effect? Dat zijn vragen waarop de antwoorden ons meer informatie verschaffen over de optimale deeltjesgrootteverdeling. Met de huidige kennis weten we dat het een positief effect heeft om een grove (vezel) fractie toe te voegen. Op die manier werkt u aan een betere gezondheid.

Meer informatie?

Heeft u naar aanleiding van bovenstaand artikel vragen of vragen over andere zaken? Neem gerust contact op met een van onze specialisten.

Sluit deze melding
Deze website maakt gebruik van cookies Lees meer over het gebruik van cookies