Enzymen voor een goede vertering van voer

23 oktober 2017

Wat zijn enzymen?

Enzymen zijn eiwitten die het dier zelf produceert om voer te kunnen verteren. De functie van enzymen is te vergelijken met die van een schaar. Enzymen ‘knippen’ grote moleculen in kleinere delen. Hierdoor kunnen deze kleinere delen door het dier opgenomen en benut worden. Naast de productie van enzymen door de dieren zelf bestaat ook de mogelijkheid om enzymen toe te voegen aan het voer. Door toevoeging van enzymen via het voer wordt het dier extra geholpen met het verteren en opnemen van voedingstoffen.

Welke enzymen zijn beschikbaar voor toevoeging aan het voer?

Er bestaan verschillende typen enzymen, elk met hun eigen doel en werkingsmechanismen. De twee belangrijkste en meest gebruikte type enzymen zijn fytase en NSP-enzymen.

Fytase breekt fytaat af. Fytaat is de natuurlijke opslagvorm van fosfor in planten en komt dus ook voor in de plantaardige grondstoffen welke gebruikt worden voor de productie van veevoer. Fosfor is een essentiële bouwstof voor alles wat leeft. Door fytaat in stukken te knippen met behulp van het enzym fytase kan het fosfor uit fytaat benut worden door het dier. Daarnaast verbetert het enzym fytase ook de vertering en benutting van mineralen, eiwit en energie. Er zijn verschillende fytase producten verkrijgbaar. De keuze voor een fytase product en de hoogte van de dosering zijn bepalend voor de hoeveelheid en de snelheid waarmee fytaat in stukken wordt geknipt. Hoe meer en hoe sneller fytaat in stukken wordt geknipt hoe beter het is voor het dier.

NSP-enzymen, of graan-enzymen, zijn enzymen welke het dier helpen om koolhydraten te verteren. Koolhydraten is een verzamelnaam voor een grote groep stoffen met verschillende eigenschappen. De belangrijkste functie van koolhydraten is het leveren van energie voor het dier. Echter bestaan er binnen de grote groep aan koolhydraten verschillende typen welke niet of niet goed door het dier verteerd kunnen worden. Ook bestaan er typen koolhydraten welke een negtief effect hebben op dierprestaties. Deze koolhydraten kunnen bijvoorbeeld ervoor zorgen dat de viscositeit, of stroperigheid, van de darminhoud toeneemt. Dit wordt ook wel gelvorming genoemd. Hierdoor wordt het voor het dier moeilijker op voedingstoffen uit de darminhoud op te nemen en wordt er meer water vastgehouden waardoor nattere mest ontstaat. Ook bestaat door de hogere viscositeit een verhoogd risico op problemen met de darmgezondheid. Gelukkig voorkomen NSP-enzymen deze negatieve effecten. Door toevoeging van NSP-enzymen aan het voer is het dier in staat om vooral meer energie uit het voer te halen. Daarnaast is er minder kans op problemen met de darmgezondheid en natte mest en wordt de strooiselkwaliteit verbeterd.

Hoe is het gebruik van enzymen te herkennen?

Wanneer enzymen gebruikt worden in het voer moet dit vermeldt worden op het voerlabel onder het kopje “Zoötechnische toevoeginsmiddelen”. Fytase staat vaak omschreven als 6-fytase EC 3.1.3.26 gevolgd door de unieke registratiecode van het type product meestal beginnend met de code ‘4a’ en tot slot de dosering van dit type fytase product. Het meest gebruikte NSP-enzym is de xylanase. Deze wordt herkend aan de naam Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8. gevolgd door een unieke ‘4a’ code en een dosering. Het kan voorkomen dat naast een xylanase nog een tweede NSP-enzym gebruikt wordt. Dit is vaak een beta-glucanase. Deze wordt herkend op het label aan de naam Endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6. gevolgd door een unieke ‘4a’code voor het type enzym product en de dosering. Het gebruik van een xylanase, bèta-glucanase of beiden hangt vooral af van de grondstoffen welke in het voer gebruikt worden. Een xylanase werkt op de arabinoxylanen en een bèta-glucanase werkt op de bèta-glucanen in grondstoffen (Figuur 1).

Figuur 1. Percentage oplosbare Arabinoxylanen en Bèta-glucanen in grondstoffen. Oplosbare Arabinoxylanen en Bèta-glucanen verhogen de viscositeit in de darm.

Nieuwe oogst van granen en enzymen

Het is bekend dat granen welke net geoogst zijn een groter risico geven op een hoge viscositeit in de darm. Dit betekent een lagere energiebenutting door het dier en dus een hogere voederconversie en een hoger risico op nattere mest. Om deze effecten tegen te gaan is het verstandig om het gebruik van nieuwe granen te beperken en deze nieuwe granen te mengen met oude granen. Automatich volgt hieruit de vraag wanneer is nieuw nog nieuw en wordt nieuw oud? Over het algemeen geldt dat de de verhoogde kans op negatieve effecten van nieuwe granen na een bewaarperiode van 3-4 maanden aanzienlijk afnemen. Naast het beperkt gebruiken van nieuwe granen is het aan te bevelen om een hogere dosering NSP-enzymen toe te passen om het risico op een verhoogde darmviscositeit door het gebruik van nieuwe granen te verkleinen.

Neem contact op voor meer informatie

Wilt u meer informatie over enzymen neem dan contact op met Christiaan Buitink, specialist enzymen bij Trouw Nutrition Benelux.