Hoe houdt u zeugen in topvorm?

24 juli 2020

Sinds 2014 is het aantal levend geboren biggen gemiddeld met 1,1 per worp toegenomen
(zie figuur 1). Meer biggen betekent een grotere vraag naar melkproductie bij de zeug. Dit vraagt fysiek nogal wat van de zeug. Een verhoogde melkproductie zorgt voor een hogere nutritionele behoefte. Als deze nutriënten niet via het voer verstrekt worden, gaat de zeug deze uit haar eigen lichaamsreserves mobiliseren. De vraag is: hoe kunnen we meer gezonde biggen spenen mét behoud van de zeug? Goed condititiemangement van de zeug is cruciaal, niet alleen voor de huidige biggen, maar ook voor de prestaties van de opvolgende toom. Ter ondersteuning van conditiemanagement bij zeugen heeft Trouw Nutrition het NutriOpt Sow model ontwikkeld. 

Figuur1Figuur 1. Aantal biggen geboren en gespeend per jaar (2014-2020).

Biestproductie

Biestproductie is niet afhankelijk van het aantal geboren biggen (Quesnel, 2011), maar min of meer een vast gegeven en onder meer afhankelijk van de hoeveelheid uierweefsel, pariteit en conditie van de zeug. Er is veel variatie tussen zeugen wat betreft biestproductie. Bijvoorbeeld, onderzoek laat zien dat zeugen waarbij het rugspek tussen dag 85 en 109 van de dracht afneemt een lagere biestproductie hadden (Decaluwé et al., 2014). Deze relatie kan verklaard worden door een slechtere uierweefselontwikkeling tijdens het einde van de dracht. Echter, zeugen die in de laatste week vóór werpen te veel afvallen hebben te weinig nutriënten voor biestproductie (Decaluwé et al., 2013). Biggen met lage geboortegewichten en lage gewichtstoenames worden gelinkt aan een lage biestopname. Gedurende de eerste drie dagen na werpen vindt 50% van de sterftegevallen vóór spenen plaats (Devillers et al., 2011). Biestopname is belangrijk voor thermoregulatie, immuunfuncties en voor de ontwikkeling van het verteringsstelsel van de big. De hoeveelheid opgenomen biest heeft een directe relatie met mortaliteit (Quesnel et al., 2012). De conditie van de zeug in de late dracht heeft een direct effect op de levensvatbaarheid van de biggen door middel van biestgift. Hierdoor is conditiemanagement een aandachtspunt bij het houden van zeugen.

Melkproductie en follikelontwikkeling

Zeugen

 Te ruime zeugen bij aanvang van de lactatie vertonen een verminderde eetlust en produceren daardoor minder melk. Melkproductie is bovendien, in tegenstelling tot biestproductie, wél afhankelijk van het aantal biggen dat bij de zeug ligt. Dit komt door een hogere stimulatie van het uier door de biggen. Een hogere voeropname resulteert naast een hogere melkproductie ook in een lagere mobilisatie van lichaamsreserves van de zeug. Een vuistregel is dat de zeug maximaal 10% - 13% van haar gewicht mag verliezen. Een zeug die meer afvalt tijdens lactatie zal in de opvolgende cyclus minder embryo's en waarschijnlijk een slechtere kwaliteit embryo's hebben, wat uiteindelijk effect kan hebben op de vitaliteit van de biggen. Dit geldt met name voor eersteworpszeugen. Een hoge mobilisatie van lichaamsreserves heeft negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van follikels op de eierstokken. Follikels bevatten de eicellen die bij de bronst na spenen vrijkomen en worden bevrucht. Follikelontwikkeling begint al tijdens de late lactatie. Dominante follikels ontwikkelen zich verder tijdens de folliculaire fase (na spenen) onder invloed van luteïniserend hormoon (LH). LH secretie is verminderd in zeugen met een hoog katabolische status, waardoor de maturatie van de follikels vertraagd wordt. Het aantal follikels dat zal ovuleren is lager en tevens van mindere kwaliteit ten opzichte van zeugen die niet te veel zijn afgevallen (Chen et al., 2012).

NutriOpt Sow model als tool voor conditiebehoud

De conditie van zeugen is belangrijk voor de prestaties van de zeug en moet aandacht krijgen. Ter ondersteuning hiervan heeft Trouw Nutrition op basis van wetenschappelijke studies en eigen onderzoeken het NutriOpt Sow Model ontwikkeld om zeugenconditie (gewicht en spekdikte) te simuleren in verschillende situaties. Het doel van het model is om de (jonge) zeug in een zo goede mogelijk conditie/gewicht in de kraamstal te krijgen. Daarnaast heeft de voerstrategie tijdens het einde dracht invloed op de biestproductie. Met het model kunnen we de energie- en nutriëntenbehoeften van zeugen inzichtelijk maken en de consequenties van een (te) lage voeropname in de lactatie op de mobilisatie van lichaamsreserves voorspellen. Hierbij wordt rekening gehouden met onder andere het aantal te voeden biggen, de omgeving, en genotype van de zeug. Aan de hand hiervan kan het optimale voerprogramma ontwikkeld worden.

Gevolgen voor de zeug van spenen op vijf weken

De nutritionële behoefte van de zeug tijdens lactatie wordt niet alleen beïnvloed door het aantal biggen dat bij haar ligt maar ook door de lactatieduur, oftewel speenleeftijd. De piek van melkproductie ligt rond dag 19 van lactatie, vanaf dag 19 zal de melkproductie langzaam afnemen (zie figuur 2). Zeugen zitten op deze dag op een hoge voeropame per dag. Uit simulaties met het model blijkt dat door de teruglopende melkafgifte en de hoge voeropname, de zeug in de 5e week van lactatie weer zal aankomen.

Figuur2

Figuur 2. Uitkomst melkproductie (kg) per dag in een simulatie met het NutriOpt Sow Model.

Toomgewicht en voeropname verhogen

Voeropname verhogen tijdens lactatie zorgt ervoor dat de zeug minder lichaamsreserves hoeft te mobiliseren, waardoor de kwaliteit van de follikels behouden blijft. Op basis van het NutriOpt Sow Model hebben we bijvoorbeeld kunnen berekenen dat er in een dergelijke situatie waarbij een zeug met 5 kg extra toomgewicht bij spenen 12 kg meer voer nodig heeft om niet meer gewicht en spek te verliezen. Hiermee zouden negatieve effecten in de volgende dracht voorkomen kunnen worden, in verband met een voorspoedige maturatie van follikels. Op basis van simulaties van de zeug in haar specifieke omstandigheden kan het juiste voerschema opgesteld worden.

Meer weten?

Wilt u meer informatie over het NutriOpt Sow model? Neem dan contact op met uw accountmanager.